‘Laat datgene wat de bedrijven nodig hebben leidend zijn’

 Hoe kom je als Fieldlab tot een succesvol skillsprogramma? De komende maanden maken we een rondgang langs koplopers. In deel 2 van deze serie gaan we in gesprek met Jeroen Wevers, projectleider bij het Fieldlab Smart Welding Factory in Enschede, over de totstandkoming van hun lesprogramma opleiding (las)robotprogrammeur, een opleiding waar inmiddels zes onderwijslocaties in Nederland gebruik van maken.

 1. Wat is in één zin het doel van Fieldlab Smart Welding Factory?

 ‘Bedrijven helpen met kennis en kunde op het gebied van robotlassen, daarnaast doen we research en development op dit gebied.’

 2. Waarom is dat zo belangrijk?

 ‘Bij de implementatie van lasrobots zit het probleem vaak niet in de hardware, maar vooral in het ontbreken van kennis en kunde van het goed implementeren van het geautomatiseerd lasproces in het bedrijf .’

 3. Hoe is het Fieldlab ontstaan?

 ‘Lasrobots zouden toch efficiënter ingezet moeten kunnen worden, vroegen we ons vijf jaar geleden hardop tijdens een goed glas af. We deden een haalbaarheidsstudie en toen we die evalueerden ontstond eigenlijk het idee voor het oprichten van een Fieldlab robotlassen. Na onze eerste sessie maakten we een plan, waarmee we een subsidie bij de provincie aanvroegen. En zo konden we eind 2014 starten met het eerste project, met als doelstelling om meerdere bedrijven te betrekken bij het nieuwe Fieldlab. Een fase waarin we al bezig waren met het ontwikkelen van lesstof. In 2015 waren we al gegroeid naar een samenwerkingsverband met 11 partners, en niet veel later kwamen er vragen van buiten de provincies en van ‘niet aangesloten’ bedrijven. Hierop is een tweede kring bedrijven gevormd.’

 4. Welke voorwaarden stellen jullie aan partners?

 ‘Een organisatie moet rijp zijn om te participeren in een Fieldlab. Van belang is dat automatisering op de strategische agenda staat. Wij stellen dan ook als voorwaarde dat partners een visie en een daaraan gekoppeld projectplan inclusief budget hebben. Hieruit blijkt heel goed in hoeverre een aspirant partner daadwerkelijk wil investeren in automatiseren of robotiseren.’

 5. Wat is er uniek aan jullie skillsprogramma?

 ‘We hebben het lesprogramma opleiding (las)robotprogrammeur (keuzedeel in mbo-niveau 4) ontwikkeld, en dat is breder dan alleen programmeren. De opleiding gaat echt in op alle aspecten bij het inzetten van lasrobots, zowel bedrijfseconomisch als lastechnisch. De doelgroep wordt dus niet alleen gevormd door operators, maar juist ook door de constructeurs en engineers. Zij hebben de kennis nodig om een goed productieproces te ontwerpen. Het door ons ontwikkelde programma ondersteunt het bedrijf in de daadwerkelijke integratie van lasrobots in productieautomatisering.’

 

 6. Wat heeft jullie geholpen met het ontwikkelen van het lesmateriaal?

 ‘Onze ontwikkeling kwam in een stroomversnelling door een opleidingspilot met de bedrijfsvakscholen Anton Tijdink, Smeot, het ROC van Twente, het NIL, LAC en Stork. Bij deze ontwikkeling hebben we veel gehad aan de bestaande guidelines voor geautomatiseerd lassen van de European Welding Foundation en het International Institute of Welding. Dit hielp ons enorm bij het opstellen van de verschillende lessen, waarmee we een integraal programma ontwikkelden dat zowel ingaat op technische aspecten als op de bedrijfseconomische aspecten van ‘Smart Welding’.

 Tijdens het schrijven van het lesmateriaal toetsten we steeds bij de partners of de inhoud wel correspondeert met hun visie. Ook stemden we het lesmateriaal continu af met onderwijskundigen en Anton Tijdink, Smeot, het ROC van Twente.

 Het uiteindelijke proces van deze pilot nam twee jaar in beslag en heeft geleid tot een breed gedragen lesprogramma. Eigenlijk is het programma nooit klaar, het is een ‘on-going’-proces om de inhoud actueel te houden. Het belangrijkste is dat er een breed gedragen programma is ontstaan.’

 7. Waar liep je onder andere tegenaan en hoe heb je dit kunnen oplossen?

 ‘De wens van de bedrijven ging uit naar een internationaal erkend diploma. Gelukkig konden wij gebruik maken van de eerdergenoemde guideline. Maar tegelijk schrijft deze guideline minimaal drie robot-talen voor: onbetaalbaar voor regulier onderwijs. Daarnaast wil het bedrijfsleven een opleiding die aansluit bij haar wereld. Gelukkig hebben we hier oplossingen voor kunnen vinden. Inmiddels kunnen we op een merkonafhankelijke manier omgaan met alle merken robots en zitten er al vier verschillende talen verwerkt in de opleiding. Het belangrijkste van de merkonafhankelijkheid is dat het niet uitmaakt welke robot de opleidingsinstelling heeft staan. Zo’n 80% van de in Nederland gebruikte programmeertalen zijn nu in ons programma afgedekt.’

 8. Hoe verspreiden jullie het lesprogramma?

 ‘Nadat we het lesprogramma hebben ontwikkeld, zijn we door meerdere mbo’s benaderd die interesse hadden in ons pakket. Enerzijds omdat we merk-onafhankelijk kunnen werken. Maar ook door de breedte van de opleiding, die ingaat op het productieproces en die goed aansluit op de behoefte van bedrijven in alle regio’s. Inmiddels werken zes verschillende locaties met ons programma en zit er een zevende locatie aan te komen. Bij deze onderwijslocaties (skillslabs) ondersteunen we zowel de docenten als de school in de samenwerking met hun regionale bedrijvenkringen met regio-specifieke bewerkingen. We maken hierbij gebruik van een online leeromgeving waarin we snel kunnen schakelen met updates.

 

 9. Hoe is de toetsing georganiseerd?

 ‘De uiteindelijke toetsing wordt uitgevoerd door het NIL, zij geven het diploma uit. De kandidaten maken een examenwerkstuk, waar gedurende de lessen aan gewerkt wordt. Dit stuk wordt door het NIL onder andere beoordeeld op het praktische werkstuk en op de opbouw van de geprogrammeerde software.’

 10. Heb je nog tips voor Fieldlabs die nog moeten starten met skillsprogramma’s?

 ‘Laat datgene wat de (regionale) bedrijven nodig hebben leidend zijn! Voorkom dat het een Poolse Landdag wordt, door het te betrekken op je eigen regio en het praktisch te houden. Betrek pragmatische mensen in een kernteam en houdt later aansluitende partijen nog even op afstand. Ontwikkel eerst een goed basismodel, voordat je aan opschalen gaat denken. Een tweede tip is om een onderwijsinstelling mee te nemen en zo een kloof tussen de wereld van de Fieldlabs en bedrijven te voorkomen. Bedrijven kunnen vaak sneller dan onderwijs, en als Fieldlabs kunnen we onderwijs goed helpen om de aansluiting met bedrijven te vinden.’